zaterdag 25 februari 2012

Gesprek

wat deelbaar is in het verlangen
om een andere ziel te vinden
lijkt van veraf gezien een wens,
geen overgedragen verhaal

maar dichterbij viel het gesprek,
door overmoed aan openheid,
ineens gewoon krakend stil.
werd door de nabijheid gebroken

















toch, als zwijgen pijnlijker wordt
dan een afscheid nemen
zou je elkaar nog eenmaal
moeten durven bekennen,

wat je voor elkaar betekend hebt.
waar moed en durf erin slaagden
ongeschreven regels te doorbreken,
waar ze strandden op menselijk tekort

de schreeuw wordt niet gehoord.
zodra de stem zich verheft
bestaat alleen het gefluisterde
in de stilte van het zelf

zondag 19 februari 2012

Reminiscentie

Waarheid is in de psychologie ondergeschikt aan gezondheid, ook bij reminiscentie, het proces van het ophalen van persoonlijke herinneringen.
Persoonlijke herinneringen zijn reconstructies. Het huidige zelf, de stemming waarin het verkeert en de sociale context bepalen voor een groot deel de aard van herinneringen en de manier waarop je die verwoord. De variaties die er bestaan in het verhalen van eenzelfde persoonlijke herinnering maakt duidelijk dat waarheid of werkelijkheid teveel gezegd is.
Bij reminiscentie als therapie worden bewust herinneringen opgehaald om ze op een andere manier te kunnen labelen zodat ze minder schrijnend worden.

Eigenlijk niets nieuws onder de zon, herinneren is een alledaags proces dat op vele manieren ingezet wordt. Dat strekt zich uit van een 'hoe deed ik dat ook weer' om een acuut probleem het hoofd te bieden tot het je opnieuw herinneren van gebeurtenissen waarbij je jezelf benadeeld voelde, wat je dan weer in staat stelt om een bestaand negatief beeld te rechtvaardigen. ook kent iedereen het ophalen van herinneringen om je te kunnen blijven verbinden met personen die er niet meer zijn, omdat ze overleden zijn of op een andere manier uit je bestaande leven zijn verdwenen.

Voor mij zijn herinneringen ook een manier om het contact een kleur te geven, om het in te schilderen met een gevoel. De inwisselbaarheid van alle persoonlijke informatie onderga ik soms als een devaluatie van het zelf. De mens als machine is interessant en wetenswaardig maar aan de dominantie van de technocratie ontbreekt bezieling, de ingeblazen teug goddelijke adem.
Persoonlijke herinneringen bieden daaraan een uitweg omdat beleving belangrijker wordt dan de werkelijk doorgegeven informatie.

Ook als je juist wel informatie wilt uitwisselen kunnen herinneringen machtige werktuigen zijn. Als het onderwerp of het contact delicaat is kunnen herinneringen als een brug werken waarover de gesprekspartners zich naar elkaar toe kunnen bewegen zonder hun eigen ervaring geweld te doen. De herinnering zorgt ervoor dat de verhaalde ervaring in het persoonlijke blijft en daardoor niet als een axioma opgedrongen wordt.

Misschien nog het grootst is de manier waarop herinneringen een onderdeel zijn van het verhaal dat voor het het eigen zelf gecreëerd wordt. De persoonlijke geschiedenis is een niet vaststaand gegeven, het is een verhaal dat telkens weer opnieuw verteld kan worden. Herinneringen, en herinterpretaties daarvan, vormen hiervoor de bron.

zaterdag 18 februari 2012

Het verhaalde leven

Een moment dat voor het voorbij is al herinnering is.
Ik voel het aan , ik zie het met mijn eigen ogen gebeuren.
Dit gaat een herinnering worden, dit gaat niet voorbij
Het geheugen wordt aangesproken en een toekomstige herinnering dient zich aan
Ik ga onvergetelijk worden, en ik wil een goede plek; vooraan

Een gedicht, als het dat al is, dat ik ongeveer een jaar geleden ergens tegenkwam en als notitie bewaard heb. Het mooiste eraan is het woord 'vooraan' wat suggereert dat je de houdbaarheid van die herinnering zou kunnen sturen. In dat opzicht is het grappig dat ik niet meer weet waar het gedicht vandaan komt. Mijn vermoeden dat ik het ergens op dat world wide internet gelezen heb wordt in het nu niet door google bevestigd.

Wat ik me wel nog kan herinneren is een verhaal van mijn buurman. Een gesprek over een neef van me die bij hem op school aan het werk was. Voor mijn geestesoog ontstaan er dan vanzelf beelden, mijn neef die op zijn knieën ergens mee bezig is. En als dan uit hun gesprek blijkt dat hij een neef van me is, zie ik mijn neef, die ik eigenlijk zelden zelf spreek, zich van zijn werk oprichten. Enkel zijn gezicht richt hij naar mijn buurman, zijn handen omklemmen nog steeds zijn gereedschap.
Dat zitten op de knieen zie ik zonder te weten of hij werkelijk op zijn knieen aan het werk was. De blik waarmee hij dat doet ken ik, ook bij mij heeft hij in het verleden weleens gewerkt. De manier van praten, de klank van de stem. In mijn gedachten is alles zo dichtbij en intiem alsof ik een toeschouwer ben bij dat gesprek.
Een stomme film, wat er besproken is weet ik enkel uit wat mijn buurman bij die beelden verhaalt. De herinnering aan het gesprek met mijn buurman is vervangen door de beelden van het gesprek van mijn buurman met mijn neef.

Of dat ik op een kinderfeestje een lied hoorde zingen en meteen weggevoerd werd naar het moment dat ik het door een vriendin hoorde zingen. Beelden uit het nu en het verleden die over en door elkaar heen tuimelen, dan als een druppelende kraan; haar vraag of het iets is. Op de achtergrond is door de grote ramen de Waal zichtbaar en een brug waarover al dan niet een trein rijdt.
Op het kinderfeestje ondertussen is de CD opnieuw gestart bij het begin, muziek is daar niet belangrijk.
Als ik het nummer weer hoor haal ik de herinnering bewust zelf op en rijdt er een trein over een brug. Je probeert wel iets te doen met dat lied merk ik op. Het werd op mijn bruiloft gespeeld antwoordt ze terwijl de trein, zelfs in de herinnering onhoorbaar, verder naar zijn bestemming rijdt. Mijn aanvulling op de herinnering is vlot gemaakt en wordt als nieuwe werkelijkheid opgeslagen.


Ook de herinnering aan een fietstocht de dag na een laat geworden feestje. Ik voel me katterig, de vermoeidheid en de drank beginnen een rol te spelen. De straffe wind die in mijn gezicht blaast voelt weldadig aan. Ik knijp mijn ogen dicht in de felle zon, tussen mijn oogharen is op grote hoogte een tegen de zon in zeilende vogel te zien.
We fietsen over een pad links en rechts ingesloten door struikwilgen waarboven zich hier en daar een populier of een els verheft. Het weggetje wordt smaller en verandert in een door een bosje meanderend zandpad. Het gevoel alsof ik een geheim besluip. Aan de rechterkant ontwaar ik door de begroeiing heen, als in het zonlicht verstrooide flinters, de Waal en de Gallowayrunderen die hier rondlopen. Bij een open plaats in de begroeiing liggen er een aantal op een strandje te herkauwen. Ik herinner me foto's van buffels die aan de Mekong liggen te rusten.
Bij een drankje praten we over de collectieve iconen die er in ieders geheugen vastgelegd zijn, waarnaar je in je gedachten bewust of onbewust refereert. Deze tijd van beelden die in een enorme hoeveelheid op je afgeschoten worden. De manier waarop nieuwe beelden gevormd worden beïnvloed door de bestaande, ermee een relatie in emotie en betekenis aangaan.

De gezichten van de personen die in mijn herinneringen leven kan ik haarscherp voor me zien. Mijn eigen gezicht is me onmogelijk voor te stellen. Als er zich een moment van scherpte voordoet merk ik dat mijn geheugen is teruggevallen op een werkelijke foto van mijn gezicht die in een andere situatie is vastgelegd. Soms komt het me voor alsof ik zelf in die herinnering niet terug te vinden ben.

Een leven wordt achterwaarts verteld, enkel vanuit het huidige perspectief is er een geschiedenis voor te stellen. Vanuit de herinnering wordt een nieuwe werkelijkheid geschapen, wat daarvan waarheid is blijft voor altijd verborgen.

dinsdag 14 februari 2012

Herinneringen

Een gure winterse dag, het vriest een graad of zes en er staat een straffe wind als we besluiten om naar België te vertrekken. Het kost wat moeite om in het drukke Antwerpen een parkeerplaats te vinden maar voordat de irritatie de boventoon gaat voeren staat de auto in de parkeergarage onder de stadsschouwburg. Als we de trap oplopend het ondergrondse voor het bovengrondse verwisselen komen we midden in de zaterdagmarkt op het theaterplein terecht.

Voor ons warmen, zittend op betonnen banken, dik ingepakte mensen zich aan glazen muntthee. De gezichten staan vrolijk, de handen om de theeglazen gevat om de warmte ten volle te consumeren. Het beeld is vertekend door de verwaaiende wasem die van theeketel en glazen opstijgt.
Er is teveel om te zien, ik kan niet op alle indrukken focussen en de details doen me duizelen waardoor alles door elkaar heen tuimelt. Ik wordt door een geluksgevoel overstroomd.

Blij verast lopen we verder over de markt, bekijken de waar, genieten van de enorme variatie, het Bourgondische Vlaanderen, vermoeden van uitgesproken smaken. Door alles heen blijft het beeld van de theedrinkers door mijn hoofd spelen, niet echt aanwezig want telkens op de achtergrond gedrongen door andere indrukken die hun ruimte opeisen.
Als we een tijdje later in 'Rubens' zitten overvalt het geluksgevoel me opnieuw als ik een eerste hap van mijn broodje neem en overweldigd wordt door de geur, nog meer dan door de smaak zelf. Vreemd genoeg voel ik die geur meer als een kriebel in mijn buik dan in mijn neus.
Het hernieuwde geluksgevoel voert me weer terug naar het eerdere moment, het eerdere in mist verhulde beeld.

In gedachten maak ik een foto. Het beeld terwijl je nog niet bovengronds aangekomen bent, de confrontatie tussen het ondergrondse levenloze van de betonnen parkeergarage tegenover het bovengrondse levendige van de markt en de mensen die hem bevolken. Onderin het beeld de laatste treden van de trap waardoor de mensen afgesneden worden. Enkel vanaf het middel zijn ze zichtbaar. Wel voldoende om de stomende theeglazen te kunnen zien en er moet zeker gewacht worden totdat een van de serverende Marokkaanse jongens opkijkt naar de camera.

Na een wandeling in de stad keren we terug bij het openlucht theehuis. De thee drinkende mensen zijn vertrokken. De betonnen banken zijn leeg, pas nu valt me op hoe smal en koud ze geweest zullen zijn. Er wordt opgeruimd, een jongen gooit het restant uit de theeketel over het plaveisel uit. De laatste damp vervluchtigt in de koude lucht.

Toch is er al een bewaard beeld aanwezig, ondanks dat ik het geen enkele keer als een geheel kan zien. Enkel details kan ik vasthouden; een lachende jonge vrouw in gesprek met haar vriend, haar handen om haar theeglas, de Marokkaanse jongen die naar me opkijkt terwijl hij de theeketel leeggooit, het insluitende beton van de parkeergarage naast de open ruimte van de bovenwereld. Ik kan al de verschillende beelden echter niet naast en in elkaar geschoven krijgen.

Ik vraag me af wat ik werkelijk gezien heb en waarnaar het in mijn herinnering getransformeerd is. De theeketel werd immers pas leeggegooid nadat iedereen vertrokken was, of werd deze misschien de eerste keer dat ik het tafereel zag omgespoeld? Werd het warme water op dat moment ook over het straatwerk gesmeten en was de stoom die later van de stenen afsloeg slechts een herhaling van een eerdere handeling die ik minder bewust had meegemaakt?

Het idee om een herinnering te bewaren in een foto heeft de werkelijkheid geherdefinieerd  naar een samengesteld beeld, er is geen werkelijkheid meer die met zekerheid te achterhalen is.

woensdag 8 februari 2012

Van je af lachen

Als ik mijn stoel aanschuif priemen juist de eerste zonnestralen door de donkere wolken heen en doen de natte straat glimmend oplichten. Het schelle licht maakt alles rijker, zwaarder, doet pijn aan mijn ogen.

Ik maak het me gemakkelijk, mijn opgestoken hand wordt gezien door de ober bij wie ik een koffie bestel. Met een vriendelijke knik maakt hij duidelijk dat hij me begrepen heeft. Lusteloos slentert hij naar binnen waar ik hem door de schittering van de zon in het raam niet meer kan volgen. Als hij even later met mijn bestelling terugkeert betaal ik direct.

Een tafeltje voor me zitten twee vrouwen in een druk gesprek verwikkeld. Degene die ik in het gezicht zie spreekt haar vriendin met vooruitgestoken hoofd enthousiast toe. Een weerbarstige haarlok valt voor haar gezicht, wijst naar haar sprekende mond. De hand waarmee ze het haar telkens opnieuw vergeefs wegstrijkt lijkt haar eigen gezicht te strelen. Ze buigt zich nog verder voorover totdat hun hoofden elkaar bijna raken. Ik zie haar op een haast intieme manier glimlachen en vermoed een gedeeld geheim of een roddel. Dan als in een spasme werpt ze haar hoofd achterover en als aan een elastiek eenzelfde beweging voorwaarts vergezeld van een volle, lelijke, maar uitgelaten lach. Dit noem je dan, denk ik bij mezelf, van je af lachen.

Als ze wat gegeneerd rondkijkt, ontmoeten onze ogen elkaar. Na nog een laatste zijdelingse blik gaat ze resoluut rechtop zitten en vervolgt haar gesprek. Genoeg voor een herinnering, te weinig voor een ontmoeting.

zondag 5 februari 2012

Dier in een hol

als een dier in zijn nachtelijke hol
doezelend in de warmte van onze lijven
draai ik me in mijn veilige nest
nog eens zuchtend om, onbewust

van de schilder die zacht penselend
buiten zijn kwasten sleept en scherpt
peinzend: ‘als het zo koud wordt
dan geef ik je een donzen jas of
beter nog tooi ik je met haren,
omring je met een warme vacht.’















neuriënd schildert hij door de nacht
om mij de volgende morgen dan een
varenachtige werkelijkheid te tonen
die ik nauwelijks bevatten kan.